Reacties op artikel: ‘Rekenen met lage discontovoet’

Reacties op artikel: ‘Rekenen met lage discontovoet’ 

 

29-07 - Reactie van Gerard Filé

Ed, Martine, Leuk artikel, zeker stof tot nadenken…

Ik word wel uitgedaagd door de genoemde 300 jaar. Dit prikkelt mijn fantasie. Ik ben benieuwd hoe onze voorvaderen in 1721 dachten over infrastructuur en welke sommetjes zij toen maakten ten aanzien van wegen en dijken waar zij mee bezig waren (karresporen, trekvaarten en zeewier dijk(jes)). Pas 100 jaar later heeft men bedacht om het Noord-Hollandsch kanaal te gaan graven: om het even in perspectief te zetten… Ben ook benieuwd hoe de Coentunnel en de A8 er bij zullen liggen over 300 jaar… (waarschijnlijk klotsen de golfjes van de Noordzee er 6 meter boven en is het beton door de bodem van de zee verzwolgen. De rust zal zijn teruggekeerd in de zompige Hollandse delta vrees ik, en die druktemakers van mensen zullen elkaar vast elders de kop aan het inslaan zijn…).

Als de economische levensduur dan in de praktijk toch zo kort is, wat is er dan op tegen om met een hogere discontovoet te werken? Waarom zou de discontovoet de markt moeten volgen? Over 5 jaar met een andere economische wind heb je wellicht weer een hoger percentage nodig… Ervan uitgaande dat jouw infra moet renderen is het denk ik verdedigbaar om met bijvoorbeeld 5% te blijven rekenen (halfwaarde van geld ca na 18 jaar en bij 70 jaar nog ca 5% over. Na 50 tot 70 jaar is het doorgaans wel zo’n beetje ‘op’ en heb je toch weer een andere functionaliteit nodig zou daarbij mijn stelling zijn.) In de tussentijd wil je zinvol onderhouden en niet onnodig (her)investeren.

Volgens mij zou de rekenmethodiek dat moeten ondersteunen. Ik vind het vreemd om dan mee te waaien met de kapitaalmarkt. Daar zouden we wat slimmers voor moeten verzinnen. Zou het een idee zijn om het economische verdienpotentieel (het maatschappelijk voordeel) als uitgangspunt te nemen en dan op basis daarvan te beredeneren wat dan een zinvolle discontovoet is voor investering en instandhoudingskosten? (Bij fabrieken doen ze het toch ook zo?) bieden de MKBA ’s daarbij geen houvast?

 

29-07 - Antwoord van Martine van den Boomen op Gerard Filé

Beste Gerard,

Dank voor je prikkelende reactie. 

Als ik je goed begrepen heb, beargumenteer je dat het verhogen van de maatschappelijke discontovoet geen andere rekenmethodiek nodig heeft. Dat klopt maar … dat ligt buiten de scope van ons artikel. De werkgroep maatschappelijke discontovoet (economen) kijkt iedere vijf jaar naar deze discontovoet en brengt advies uit. Dat hebben wij als uitgangspunt overgenomen. >>> de vraag is of het wel wijs is om deze (knellende) randvoorwaarde te accepteren! <<<

Wij gaan inderdaad uit van een herhalingsbeginsel en lichten toe dat dit een schatting betreft van toekomstige kosten en baten. Je hebt volkomen gelijk dat objecten/technologische oplossingen veranderen. Wij redeneren echter dat het herhalingsbeginsel dichter in de buurt komt van een schatting van toekomstige kosten en baten dan niet verder kijken dan 100 jaar. Dus ja, wij zijn het op dit punt met je eens maar redeneren dat de functie blijft bestaan (in welke vorm dan ook). >>> als de methode het doel ondersteunt dan is het natuurlijk OK <<<

De EAC-methode (en P-oneindig) blijven ook overeind met een hoge discontovoet; want ook dan zullen varianten met verschillende levensduren met elkaar vergeleken moeten worden. Maar, zeker een interessant perspectief wat je aandraagt. Je zou hier ook een artikel of opiniestuk over kunnen schrijven. Voor ons zou het ook interessant onderzoek zijn. 

Hartelijke groeten, Martine

 

29-07 - Antwoord van Rob Treiture op reactie van Gerard Filé

Beste Gerard,

Hoewel je reactie niet direct aan mij gericht is, voel ik mij toch geroepen om ook te reageren als de aanstichter van het onderzoek dat wij vanuit RWS samen met de TU-Delft doen en wat ook aanleiding is geweest voor dit artikel in VoV.

Je kunt natuurlijk heel gekscherend doen over de 300 jaar. Gek genoeg valt nooit iemand over een door velen aangeprezen methode als EAC, omdat je dan maar over één levenscyclus hoeft na te denken. Terwijl zoals ook in het artikel staat aangegeven deze methode een oneindige doorrekening kent oftewel oneindig veel langer dan 300 jaar. In dit kader mis ik dan ook een gedachte-experiment over wat dinosauriërs met wegen of dijken zouden moeten doen. >>> Goed om te zoeken naar een betere methode. Aan deze poten wil ik niet gaan zagen. Het gaat om de methode (en niet om het jaartal). Als eenvoudige praktisch ingestelde kostendeskundige ontstaan er direct beelden bij 300 jaar, daar zal ik niet de enigste in zijn… <<<

RWS rekent bij LCC tot op heden met een vaste tijdshorizon van 100 jaar. Dit is indertijd bewust gekozen en heeft een aantal redenen:

  • Veel van onze nieuwere assets hebben een ontwerplevensduur van 100 jaar.
  • Het is voor een kostenramer doorgaans relatief eenvoudig om het benodigd onderhoud over 100 jaar voor te stellen (ik geef onmiddellijk toe dat we over zoiets kort cyclisch als bijvoorbeeld software indertijd onvoldoende hebben nagedacht).
  • Bij een discontovoet van 3% maak je bij 100 jaar een methodische rekenfout van maximaal zo’n 5% waarvan we indertijd vonden dat dit gezien alle andere onzekerheden verwaarloosbaar is.

Een methode als EAC lijkt op het eerste gezicht misschien eenvoudiger, maar is het niet als je bedenkt dat de praktijk niet altijd bestaat uit een continue herhaling van exact dezelfde cyclus. Met een rekensom over 100 jaar zijn discontinuïteiten die in de nabije toekomst liggen (en bekend zijn) veel eenvoudiger in de LCC berekening te realiseren. De EAC methode viel om deze reden indertijd af.

Nu wij bij het Rijk gedwongen worden om bij LCC vraagstukken in het domein van de fysieke infrastructuur met een discontovoet van 1,6% te rekenen, blijkt de methodische rekenfout bij een horizon van 100 jaar ineens te stijgen naar ongeveer 20%. Het is dan niet zondermeer verdedigbaar dat dit gezien alle andere onzekerheden verwaarloosbaar zou zijn. Vandaar het onderzoek naar onze LCC rekenmethodiek bij lage discontovoeten dat we als RWS nu samen met de TU-Delft doen. Hierbij kijken we naar alternatieve rekenmethoden zoals in het artikel behandeld.>>> verhelderen! Goede motivatie van waarom dit artikel nu! <<<

Een reactie bij je opmerkingen.

  1. Waarom over 100 jaar, 300 jaar, oneindig jaar rekenen? We kunnen nog geen 10 jaar vooruit kijken! (mijn eigen interpretatie van jouw eerste opmerkingen)
    LCC is een methode om bij investeringsbeslissingen ook uitgaven die verder in de toekomst liggen mee te nemen. Waar voorheen alleen gekeken werd naar de investeringskosten kijken we tegenwoordig ook naar de kosten over de gehele levensduur om “goedkoop is duurkoop” wat meer te vermijden. >>> dit is volgens mij een belangrijke kernwaarde <<< Dit wordt wereldwijd erkend als goede praktijk bij assetmanagement.
    Wanneer kosten op verschillende momenten in de tijd vallen, dan moet rekening gehouden worden met de tijdswaarde van geld. Daarvoor hanteren we een discontovoet. Daarnaast beveelt wetenschappelijke literatuur over LCC een oneindige doorrekening aan. Kunnen we deze oneindige doorrekening ook op eenvoudige wijze beredeneren? Ja, de functie van de meeste assets verdwijnt niet plotseling aan het einde van de (technische) levensduur. Er komt meestal iets nieuws voor in de plaats (dat geldt trouwens ook voor zoiets als software). Is dat dan altijd precies hetzelfde? Nee, we kunnen de toekomst natuurlijk niet voorspellen, maar iets aannemen is beter dan niets aannemen, want het is onwaarschijnlijker dat iets ophoudt te bestaan. >>> eens! Toch is het fijn als je deze aannames te aller tijden kunt valideren en aan kunt tonen dat je daarmee bijdraagt aan het doel namelijk: evenwichtige besluit kunnen nemen tav investeren en onderhouden.<<<
     
  2. Als de economische levensduur dan in de praktijk toch zo kort is wat is er dan op tegen om met een hogere discontovoet te werken?
    Zoals ik al aangaf is de hoogte van de discontovoet bij RWS / het Rijk geen vrije keuze. De werkgroep discontovoet doet hier grondig onderzoek naar en komt met een advies dat door de Tweede Kamer is overgenomen. Het artikel gaat niet in op de vraag wat wij vinden van dit advies. >>> Een value engineer moet ook de scope (of in dit geval de basis regels) ter discussie kunnen stellen als daarmee aantoonbaar geen goed besluit wordt genomen <<<
     
  3. In de tussentijd wil je zinvol onderhouden en niet onnodig (her)investeren. Volgens mij zou de rekenmethodiek dat moeten ondersteunen. Ik vindt het vreemd om dan mee te waaien met de kapitaalmarkt. Daar zouden we wat slimmers voor moeten verzinnen…
    De huidige kapitaalmarkt beïnvloedt inderdaad de huidige tijdswaarde van geld. Geld is voor het Rijk momenteel goedkoop, een lage discontovoet maakt dat kosten in de toekomst zwaarder meewegen. Dit heeft tot gevolg dat wanneer we alleen vanuit LCC redeneren er bij een lage discontovoet eerder gekozen wordt voor vervanging dan voor renovatie. Echter, LCC is natuurlijk niet het enige wegingscriterium bij investeringsbeslissingen. Ook een aspect als duurzaamheid wordt naast nog veel meer aspecten meegewogen. >>>gelukkig wel! Dit is ook de kern van de reactie van Ed in zijn nawoord<<<
     
  4. Zou het een idee zijn om het economische verdienpotentieel (het maatschappelijk voordeel) als uitgangspunt te nemen en dan op basis daarvan te beredeneren wat dan een zinvolle discontovoet is voor investering en instandhoudingskosten? (Bij fabrieken doen ze het toch ook zo?) bieden de MKBA ’s daarbij geen houvast?
    De werkgroep discontovoet heeft wel degelijk gekeken vanuit een maatschappelijk perspectief. Verder maakt LCC ook onderdeel uit van een MKBA, waarbij maatschappelijke kosten en baten worden meegewogen. Een MKBA is een zwaar instrument met hoge kosten en lange doorlooptijden en wordt beperkt toegepast. Voor kleinere vraagstukken worden bij RWS Business Cases opgesteld, waar LCC ook weer onderdeel van uitmaakt.
    (Bij fabrieken worden bij investeringsbeslissingen meestal geen maatschappelijke kosten en baten meegewogen, dit is meer iets voor overheden die het maatschappelijk belang dienen.) >>> wat ik eigenlijk bedoelde is: een fabriek moet zich binnen X jaar terug verdienen. Dit vertaalt zich in een risico-opslag/ rendementseis die mede de hoogte van de discontovoet dicteert. Wellicht dat deze rendementseis (onafhankelijk van de kapitaalmarkt) bepaald zou moeten worden vanuit gekwantificeerde maatschappelijke/economische baten. Het infra object moet zich binnen X jaar terug verdienen en daar hoort dan Y% bij… Deze beschouwing valt wellicht wat buiten de context van het artikel en moeten we wellicht later nog maar eens aandacht geven!<<<

Ik hoop dat je met mijn reactie nog wat aanvullende stof tot nadenken heb gekregen. >>> dat is gelukt Rob! Wordt vervolgd!<<<

Met vriendelijk groet,

Rob

 

30-07 - Reactie van Gerard Filé op berichten van Martine en Rob

Hallo Rob (en Martine),

Dank voor je uitgebreide antwoord/reactie! Het onderwerp leeft en goed dat er aandacht aan gegeven wordt. De context die jij in jouw antwoord geeft is wellicht ook van toegevoegde waarde voor het artikel. Dit geeft achtergrondinformatie bij de zoektocht die jullie als belanghebbend doorlopen. Wellicht interessant om dit nog te benutten bij een inleiding (met het antwoord op het ‘waarom’…) op het gevaar af dat het artikel dan te lang wordt….

Omdat ik het niet kan laten toch nog een paar reacties in jouw tekst (>>> schuingedrukt <<<)

Ik weet niet of we nu direct wat moeten doen met deze mailwisseling. Het artikel is in ieder geval prikkelend genoeg om reacties uit te lokken (waarvoor compliment!) Wellicht komen er nog meer reacties en moeten we daar eerst maar eens op wachten. Ik ben bevoorrecht om nu (prematuur) te kunnen reageren omdat Ed mij de redactie van VoV in heeft geluisd…. Elk nadeel heeft z’n voordeel….

Groet, Gerard

Noot: Tekst in >>> schuingedrukt <<< van Gerard Filé

logo-qts_totaal.pngrws_logo.pngGeurts otrmn.GIFLogo-Van-Hattum-en-Blankevoort.pngfluor.pngRdlogo27012013_3.png